Met wintersportactiviteiten heb ik een stevige haat-liefdeverhouding, hoogstwaarschijnlijk veroorzaakt door een gebrek aan opvoeding. Want als je niet ver voor je zestiende verjaardag op de lange latten hebt gestaan ben je zo goed als verloren voor deze tak van sport. Dankzij mijn ouders, die overtuigd wintersportschuw zijn en mij als kind liever meesleepten naar op dat moment onbegrijpelijke musea in Zuid-Europa, behoor ik nu tot deze reddeloze groep non-skiërs.
Toch was er op een bepaald moment sprake van een Serieuze Wintersportpoging, licht geëntameerd door een woestsportief vriendje dat vond dat ik alles samen met hem moest 'beleven', dus ook de afdaling van rode en zwarte skipistes.
Omdat de liefde doorgaans een blinde vlek in mijn hoofd veroorzaakt die 99 procent van mijn denkvermogen in de weg zit, stond ik ineens drie avonden per week te klungelen op een Hoofddorpse borstelbaan. Onder begeleiding van Sigi, mijn uit Oostenrijk afkomstige privé-leraar.
Sigi wilde er al na drie lessen met mij vandoor, voorgoed de Oostenrijkse Alpen in. Niet om te skiën, want hij zag het meteen: Kansloos verhaal, die Loor. Had ik het maar gedaan. Hij was charmant en in het bezit van realiteitszin en oeverloos geduld.
Maar ik had een missie en oefende dapper door, daar op die borstelbaan. En met Sigi, die zich tot en met de laatste les opwierp als ski slash levenscoach met kitscherig Duits accent.
En zo kwam het dat ik dankzij Sigi's optimisme en ondanks zijn smeekbedes op een kwade dag samen met het sportvriendje in volle vaart het Franse skioord Meribel binnen scheurde, alwaar mij een verhelderende week te wachten stond. Want mocht ik de eerste dag nog op mijn gemak het indrukwekkende skigebied verkennen, een dag later moest ik dan toch echt laten zien wat mijn duurbetaalde geworstel op de borstelbaan mij had opgeleverd.
Dat ik al bij mijn eerste skipoging werd overvallen door een allesvernietigende blackout kon het vriendje beslist niet waarderen. Alles wat ik in de voorafgaande weken had geleerd van Sigi was als sneeuw voor de zon verdwenen. Na een drie kwartier durende motivatiemonoloog gleed ik met trillende benen een stukje van een overzichtelijk oefenheuveltje af. So far, so good!, dacht ik blij. Maar daar was hij alweer, en gaf me een 'bemoedigende' duw. Ik rolde de afgrond in. Schreeuwend, hulpeloos.
Terwijl het duwvriendje achter mij argeloos dezelfde helling afdaalde, hielpen bezorgde medeskiërs mij overeind. Nadat hij had vastgesteld dat de schade meeviel kreeg ik een volgende preek. Hij was diep teleurgesteld dat ik die week niet met hem de rode en zwarte pistes zou gaan afdalen. Ik moest me er dan ook op voorbereiden dat ik hem verder weinig zou zien, omdat hij zich aan wilde sluiten bij een groep hippe snowboarders. En dat is wat hij deed.
Hoe ik mij de rest van die vakantie heb weten te vermaken, is mij nog steeds een raadsel. Het kneuterige oefenheuveltje heb ik nog dagelijks bezocht en ik hing moedig aan wat sleepliften. En dan zoefde het vriendje voorbij om me te vertellen dat hij ergens ging lunchen waar ik met mijn haperende skigedrag nooit kon komen.
En daar, in het mooie Meribel, had ik aan het eind van de helse week een doorbraak. Ik realiseerde me wederom dat ik nooit in mijn eigen tegendeel zou veranderen. Nou ja, op het gebied van wintersport dan. En ik nam me stellig voor me niet meer te laten verleiden door woestfanatieke vriendjes met disproportioneel grote verwachtingen en dito ego's. Dit was de laatste keer geweest. Echt. Nee, echt.
En zo kwam het dat ik dankzij Sigi's optimisme en ondanks zijn smeekbedes op een kwade dag samen met het sportvriendje in volle vaart het Franse skioord Meribel binnen scheurde, alwaar mij een verhelderende week te wachten stond. Want mocht ik de eerste dag nog op mijn gemak het indrukwekkende skigebied verkennen, een dag later moest ik dan toch echt laten zien wat mijn duurbetaalde geworstel op de borstelbaan mij had opgeleverd.
Dat ik al bij mijn eerste skipoging werd overvallen door een allesvernietigende blackout kon het vriendje beslist niet waarderen. Alles wat ik in de voorafgaande weken had geleerd van Sigi was als sneeuw voor de zon verdwenen. Na een drie kwartier durende motivatiemonoloog gleed ik met trillende benen een stukje van een overzichtelijk oefenheuveltje af. So far, so good!, dacht ik blij. Maar daar was hij alweer, en gaf me een 'bemoedigende' duw. Ik rolde de afgrond in. Schreeuwend, hulpeloos.
Terwijl het duwvriendje achter mij argeloos dezelfde helling afdaalde, hielpen bezorgde medeskiërs mij overeind. Nadat hij had vastgesteld dat de schade meeviel kreeg ik een volgende preek. Hij was diep teleurgesteld dat ik die week niet met hem de rode en zwarte pistes zou gaan afdalen. Ik moest me er dan ook op voorbereiden dat ik hem verder weinig zou zien, omdat hij zich aan wilde sluiten bij een groep hippe snowboarders. En dat is wat hij deed.
Hoe ik mij de rest van die vakantie heb weten te vermaken, is mij nog steeds een raadsel. Het kneuterige oefenheuveltje heb ik nog dagelijks bezocht en ik hing moedig aan wat sleepliften. En dan zoefde het vriendje voorbij om me te vertellen dat hij ergens ging lunchen waar ik met mijn haperende skigedrag nooit kon komen.
En daar, in het mooie Meribel, had ik aan het eind van de helse week een doorbraak. Ik realiseerde me wederom dat ik nooit in mijn eigen tegendeel zou veranderen. Nou ja, op het gebied van wintersport dan. En ik nam me stellig voor me niet meer te laten verleiden door woestfanatieke vriendjes met disproportioneel grote verwachtingen en dito ego's. Dit was de laatste keer geweest. Echt. Nee, echt.
