Je vrije val, nog een laatste keer terug naar mij, naar mijn vingers tegen je onwetende rug, is de val van blind geloof.
Geloof in mijn handen, die je vangen, duwen, vangen. Jou eindeloos zullen vangen. Kijk niet naar de grond, kijk niet achterom, zie mij niet als ik achter je hulpeloos kleiner word. Zie mij niet verpletterd zijn door jouw steeds smaller wordend silhouet. Ik duw je de hoogte in. Hoger en hoger en hoger, tot je de zon wekt met je nooit gehoorde lach. Kijk vooruit, opwaarts, tem de wolken, toon ze je stralende gezicht. Het gezicht dat geen mens ooit zag. En ik zo liefheb.