30.9.12

Eindhalte Ming


Het vergt wel heel weinig inlevingsvermogen om je niet voor te kunnen stellen hoe angstaanjagend het moet zijn als je om zes uur in de ochtend wordt gewekt door voetstappen in de gang. Voetstappen van een vreemde, want je woont alleen. Dus klopt er iets niet.

Dat er iets ontzettend niet klopt, blijkt als een duistere figuur langzaam je slaapkamer binnentreedt, de deur achter zich sluit en je bijna twee uur in het ongewisse laat over je lot.


Het overkwam mijn moeder. Een inbreker van Joegoslavische komaf had zich met geweld toegang tot haar huis verschaft en verraste haar op dat vroege uur met zijn ongewenste, onaangename, onwelriekende en onwezenlijke bezoek. Mijn arme moeder. Verrast en kwetsbaar in haar bed, stijf van vrees onder de dekens, niet wetend of en wanneer hij weg zou gaan, wat zijn plannen waren, of ze het na zou kunnen vertellen. Hij gaf haar kusjes op haar wang, liep onsamenhangend pratend door haar schemerige slaapkamer, pakte haar hand, bekeek haar spullen, nam weer plaats op haar bed. En ging maar niet weg. Stel je dat eens voor.

Mijn moeder bleef wonderbaarlijk rustig, hem op een moederlijke, begripvolle toon toespreken en wist hem op een goed moment over te halen samen met haar naar de voordeur te lopen, onderweg er naartoe de door hem aangerichte ravage negerend. En hij ging. 

Daar stond ze. Alleen, ontredderd, nietig, beschadigd. 

Ze heeft geluk gehad, dankzij haar tegenwoordigheid van geest. En de Joegoslaaf ook. Hij werd dan wel gearresteerd, maar de straf was iets met een paar weken cel, geen boete want geen inkomen en vooral gezellig in Nederland mogen blijven. Om in de toekomst misschien, wellicht, eventueel, mogelijk én als alles meezit alleenstaande dames op leeftijd weer de stuipen op het lijf te jagen. Het zal je moeder verdorie maar overkomen.

Nu goed, inhakend op de discussie over de uitlating van Fred Teeven over het ‘beroepsrisico’ van inbrekers: ik weet niet hoe het was afgelopen als ik op dat voor mijn moeder benauwende moment haar slaapkamer was binnengekomen en de Joegoslaaf met een van haar Mingvazen van drie bij drie meter een welgemikte dreun had verkocht. Bovenop zijn gedrogeerde verliezerskop, en dan even goed k.o., zoals in de film. Maar omdat ik meer in de categorie geen-enkel-gevoel-voor-richting val, was de vaas vast op zijn slaap terechtgekomen, of ergens anders waardoor je hartstikke dood kan gaan. Dan was ik waarschijnlijk de hoofdverdachte geweest, omdat achteraf bleek dat de Joegoslaaf ongewapend mijn moeder kusjes had zitten geven. De betonnen sierbak waarmee hij haar ruiten ijskoud had ingegooid even terzijde latend. Ik was met mijn primaire reactie de misdadiger geweest, in tegenstelling tot de Joegoslaaf met al zijn rechten. 

Toch zou ik in dat hypothetische geval geen gewetenswroeging hebben gehad. Hell to the no. De inbreker had ik met liefde de vazen stomp verkocht, want ik kijk niet toe als de mijnen bewust (mentaal) worden vertrapt, voor het leven getraumatiseerd. En ik iets kan doen.

Dat is het risico van het vak, heren van het inbrekersgilde, als je denkt dat je zomaar iemands veilig heenkomen (wat een huis altijd zou moeten zijn) kunt ontwrichten met je minne daad, op zoek naar de kruimels die je armzalige bestaan zin moeten geven. Dan loop je een keer tegen de spreekwoordelijke lamp. Of tegen de vaas. Van iemand zonder richtingsgevoel. Eindhalte Ming.