De oerkreet-in-grafitti siert al zeker twee decennia een
Oostblokgrijs betonnen viaduct tussen Haarlem en Bloemendaal: “FRANCOISE IK HOU
VAN JE!” Maar dan bibberig en wit en scheef en groots geschreven. En vanuit de tenen. En
vanuit ‘op zijn kop’. Wat ik altijd heel knap vind.
Een kreet die is opgetekend met materiaal dat bestand is tegen de elementen die al ruim twintig jaar op de gespuitverfde woorden inbeuken. Ze zijn zo hartverscheurend dat geen ambtenaar van Ruimtelijke Ordening het tot nu toe in zijn hoofd heeft gehaald een taakstraffer de liefdesverklaring te laten verwijderen. Ze is beschermd stadsgezicht geworden, een collectief vraagteken. Over hoe het de ‘ik’ en Francoise is vergaan.
Misschien beleefden ze een korte, stormachtige, onmogelijke
liefde. Misschien zijn ze uiteindelijk getrouwd, in de vertrutting geraakt, met
een foto van het viaduct op kamerbreed Hema-canvas boven de bank, ver en verder
verwijderd geraakt van de tijd dat zijn anarchistische daad hem en Francoise
voor altijd bij elkaar bracht. Maar het zou ook kunnen dat Francoise nog
altijd niet weet wie ooit als een dief in de nacht, een boete riskerend, zijn liefde
voor haar vastlegde op een plek waarvan hij zeker wist dat deze niet aan haar aandacht zou kunnen ontsnappen. In weer een ander scenario weet Francoise niet eens dat
zij de Francoise is.
Mogelijk is het alleen maar mijn vraagteken, draaft de
romanticus in mij een beetje door en rijden alle andere weggebruikers zonder
aandacht voor die onsterfelijke letters de Westelijke Randweg af. Wie weet. Maar
Francoise en de ‘ik’ hebben zich definitief in mijn hoofd gevestigd.
Onvergetelijk gemaakt met deze cri de coeur. Een nimmer te ontrafelen mysterie in kapitalen. Geniale eenvoud met eeuwigheidswaarde. Boven de N208.