Ook in tijden van schrijfkramp is een ding zeker: echt moet het zijn. Al is het maar een muisklein verhaal. Bijvoorbeeld over een meisje dat gisteren nog tot mijn heup reikte maar me vandaag recht in de ogen kijkt. Met een blik waarin ik haar niet zo vage verlangen naar elders herken. Als het maar niet hier is, waar ik haar weer tot heuphoogte wil toveren.
Het ware leven, dat een boosaardige val kan zijn voor aristocratisch kijkende vrouwmeisjes met onervaren harten, lonkt. Met een kracht waar geen schade-en-schande-wijsheid tegenop gewassen is.
Om haar heen een broos parfum van volwassenheid. Aan haar arm een decadente tas vol geheimen en een made in Taiwan merkportemonnee.
Alleen een kind zal met zoveel argeloosheid de binnenkant ervan tonen: de niet van echt te onderscheiden voering ('kijk dan, tante Loor!'), de ongebruikte vakjes voor toekomstige pasjes, de nu nog gouden ritsjes. Verder een gapende leegte. Op een buskaartje naar school na bezit ze feitelijk niets. Geen sou. Zoals het een kind betaamt. En dus kan ze nog even, heel even, niet naar elders.
Zij, die mij met trots haar onbewoonde portemonnee toonde, toonde tegen wil en dank een troostend tableau van onschuld.
