Het boek dat ik vandaag terugvond bij het opruimen van mijn
boekenkast was destijds een cadeau. Van een believer.
Bij het onder niet eens zo heel zachte dwang lezen
ervan brulde ik van het lachen. Mijn buikspieren draaiden overuren en na drie
hoofdstukken en een buik als een wasbordje hield ik het met veel misbaar voor gezien. De believer en ik zijn sindsdien
kennissen, beslist geen vrienden meer.
Brullen moest ik. Hard brullen. Om al die hebberige dwazen
om me heen die het boek heel serieus namen en over niets anders meer konden
praten. Hun hele leven stond in het teken van Het Geheim, in de meer dan
uitstekende marketingtruc van een uitgever die nota bene 'Kosmos' heet.
Op de achterflap van het kaskrakertje staat dat de in dit
boek te onthullen kennis van Het Geheim al eeuwen bekend was bij ‘een kleine kring van
ingewijden’, onder wie niemand minder dan Plato, Galileo en Einstein, en dat
die kleine kring deze kennis nu eindelijk wil delen met gewone stervelingen
als u en ik. Rijkdom en succes liggen voor het oprapen na de aanschaf van dit
sprookjesboek voor volwassenen. En vooral voor de schrijver ervan.
Nu heb ik niemand rijkdom en succes zien vergaren na het
lezen van Het Geheim, maar wel voor altijd gefrustreerd zien raken. De believers
stuurden namelijk maar één ‘positieve wens’ de kosmos in (de
kern van Het Geheim): geld, man met geld, geld met man, geld, nooit meer werken,
mooie man met geld, iets minder mooie man met geld, geld, dus echt nooit meer werken,
lelijke man met geld, man die voor me zorgt, geld. En doe anders maar de hele wereld. Hebben, hebben, hebben.
Dwalende zielen zijn het geworden, teleurgesteld in hun
eigen kosmische krachten. Sommige van hen vonden inderdaad een man met geld. Leuk
en trouw en zorgzaam was hij bepaald niet. Die aspecten waren de believers – oeps! – vergeten
te verwerken in hun ‘positieve’ wens en nog altijd zien ze niet wat de rijkdom
daarvan is. Het Geheim verdween dan wel in de door hem betaalde, oversized
designgashaard, maar dat is beter dan ontgoocheld huilen bij zoiets
als een burgerlijkbanale radiator.
Bij het bladeren door het vergeten broddelwerkje dacht ik
aan mijn eigen positieve wens, ook al zou ik die liever omschrijven als het verlangen
dat een leven lang hetzelfde bleef. Hij (de wens) behelsde het volgende: geen
haast, nergens naartoe hoeven, grijze, stormachtige herfstdagen keer heel vaak, een poes voor
een oud raam met ruitjes, een antiek bureau bij dat oude raam, met uitzicht op
de poes en waarachter ik tot innerlijke groei kan komen. Of gewoon de dagen in
noodzakelijke ledigheid door kan brengen. En o ja, een schoot om des avonds mijn hoofd in
te leggen.
Dat vond de kosmos kennelijk een behapbare en consequente en
ook wel positieve wens, want hij kwam zomaar uit, minus de poes. Dat had ik alleen nooit zo
door, tot de herontdekking van dit schandelijke boekje waardoor ik tot deze lucide
observatie van de loop der dingen kwam. Achter een antiek bureau voor een oud raam met oude ruitjes dat niets laat zien dan de herfst die waait.